NEDERLANDS
🇳🇱

    Uitslepen

    uncommonZipf 2.4

    werkwoord; werkwoord

    • uitslepen

      Werkwoord/'œytslepən; 'œytslepə/

      infinitief

      uitslepen

      tegenwoordige tijd

      sleep uituitsleepsleept uituitsleeptslepen uituitslepen

      verleden tijd

      sleepte uituitsleeptesleepten uituitsleepten

      tegenwoordig deelwoord

      uitslependuitslepende
    • uitslijpen

      Werkwoord/'œytslɛɪpən; 'œytslɛɪpə/

      infinitief

      uitslijpen

      tegenwoordige tijd

      slijp uituitslijpslijpt uituitslijptslijpen uituitslijpen

      verleden tijd

      sleep uituitsleepslepen uituitslepen

      tegenwoordig deelwoord

      uitslijpenduitslijpende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren