Verloofde
verloven
Werkwoordbeloven te gaan trouwen
- Met iemand afspreken dat jullie gaan trouwen.Hij verloofde zich met zijn vriendin na drie jaar samen te zijn.
verloofd
Bijvoeglijk naamwoordbeloofd te gaan trouwen
- Met iemand afgesproken dat jullie gaan trouwen.Mijn zus is al twee jaar verloofd met haar vriend.
deverloofde
Zelfstandig naamwoordtoekomstige huwelijkspartner
- Persoon met wie je hebt afgesproken te gaan trouwen.Dit is mijn verloofde, we zijn vorige maand verloofd geraakt.