NEDERLANDS
🇳🇱

    Weekeind

    uncommonZipf 2.4

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • het weekeind

      Zelfstandig naamwoord/'wekɛɪnt/

      enkelvoud

      weekeindweekeindje

      meervoud

      weekeindenweekeindjes
    • weekeinden

      Werkwoord/'wekɛɪndən; 'wekɛɪndə/

      infinitief

      weekeinden

      tegenwoordige tijd

      weekeindweekeindtweekeinden

      verleden tijd

      weekeinddeweekeindden

      tegenwoordig deelwoord

      weekeindendweekeindende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren