Douchen
ДієсловоA1
Допоміжне дієслово
hebben
hebben; refl,trans,intrans
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
jij / je
u
hij
zij / ze
het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
hij
zij / ze
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Приклади
Ik douche elke ochtend voor het ontbijt.
tegenwoordige tijd, aantonend
Hij heeft net gedoucht en staat nog met natte haren in de keuken.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonend
We douchten na de lange wandeling in het berghotel.
verleden tijd, aantonend
Douch eerst, dan kom je aan tafel!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.