Infinitief Ik hou ervan om te glimlachen.
Tegenwoordig deelwoord De kinderen waren glimlachend aan het spelen.
De glimlachende jongen vertelde een verhaal.
Tegenwoordig deelwoord De glimlachend kinderen spelen in de tuin.
Tegenwoordige tijd ik
Ik glimlach naar je.
jij / je
Jij glimlacht als je blij bent.
u
U glimlacht vriendelijk.
hij
Hij glimlacht als hij het grapje hoort.
zij / ze
Zij glimlacht naar de camera.
het
Het glimlacht als het zonnetje schijnt.
wij / we
Wij glimlachen samen.
jullie
Jullie glimlachen naar de foto.
Verleden tijd ik
Ik glimlachte toen ik de verrassing zag.
jij / je
Jij glimlachte zeker toen je het cadeau kreeg.
u
U glimlachte toen u het nieuws hoorde.
hij
Hij glimlachte naar zijn vrienden.
zij / ze
Zij glimlachte en voelde zich gelukkig.
het
Het glimlachte van blijdschap.
wij / we
Wij glimlachten naar onze oude foto's.
jullie
Jullie glimlachten samen op het feest.
Voltooid deelwoord Hij heeft naar mij geglimlacht.
Aanvoegende wijs Moge je altijd glimlache!
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.