ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Ρ ΡΠΎΡΠΌΠΈ
Als je zegt 'de zoute soep' of 'een zoute snack', gebruik je 'zoute' voor het zelfstandig naamwoord.
- Π ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- de zoute
- "De zoute soep is heerlijk."
- Π Π½Π΅ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- een zoute
- "Ik heb een zoute snack gekocht."
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
- zout
- "Zout is belangrijk voor je lichaam."
ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'zout': De soep is zout.
ΠΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Voor de vergrotende trap gebruik je 'zouter': De chips zijn zouter dan de crackers.
- ΠΡΠ½ΠΎΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
- zouter
- "Deze chips zijn zouter dan die andere."
- Π "dan"
- zoutere
- "Dit gerecht is zoutere dan dat gerecht."
ΠΠ°ΠΉΠ²ΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
De overtreffende trap is 'zoutste': Dit is de zoutste soep die ik ooit heb gegeten.
- ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Π΅
- de zoutste
- "Hij is de zoutste van alle soepen."
- ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π΅
- zoutste
- "Deze soep is de zoutste."
ΠΠ°ΠΆΠ»ΠΈΠ²Ρ Π·Π°ΡΠ²Π°ΠΆΠ΅Π½Π½Ρ
- usage:Het woord 'zout' kan zowel voor als na een werkwoord geplaatst worden.
- spelling:Let op dat je 'zout' en 'zouter' correct schrijft.
Π― ΡΡΠ²ΠΎΡΠΈΠ² ΡΠ΅ΠΉ ΡΠ»ΠΎΠ²Π½ΠΈΠΊ ΡΠΊ Π½Π°ΠΉΠΏΠΎΠ²Π½ΡΡΠΈΠΉ ΡΠ΅ΡΡΡΡ Π΄Π»Ρ ΡΠΈΡ , Ρ ΡΠΎ Π²ΠΈΠ²ΡΠ°Ρ Π½ΡΠ΄Π΅ΡΠ»Π°Π½Π΄ΡΡΠΊΡ. ΠΠΈΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½Π½Ρ ΡΠ° ΠΏΡΠΈΠΊΠ»Π°Π΄ΠΈ Π³Π΅Π½Π΅ΡΡΡΡΡΡΡ, ΡΠΎΠΌΡ Π²ΠΈ ΠΌΠΎΠΆΠ΅ΡΠ΅ ΡΠ½ΠΎΠ΄Ρ ΠΏΠΎΠΌΡΡΠΈΡΠΈ ΠΏΠΎΠΌΠΈΠ»ΠΊΡ β Π΄ΠΎΠ²ΡΡΡΠΉΡΠ΅ ΡΠ²ΠΎΡΠΉ ΡΠ½ΡΡΡΡΡΡ.