hetCommon Noun

Singularformen

Het woord 'hotel' is een onzijdig zelfstandig naamwoord en wordt gebruikt om een plaats aan te duiden waar mensen kunnen overnachten.

Bestimmt (de/het)
het hotel
"Het hotel zit in het centrum van de stad."
Unbestimmt (een)
een hotel
"Ik heb een hotel geboekt voor de vakantie."
Ohne Artikel
hotel
"Hotel is duurder dan een appartement."

Pluralformen

De meervoudsvorm 'hotels' verwijst naar meerdere van deze plaatsen.

Bestimmt (de)
de hotels
"De hotels in deze stad zijn allemaal vol."
Ohne Artikel
hotels
"Er zijn veel hotels aan de kust."

Verkleinerungsform

het hotelletje
"Het hotelletje was heel gezellig."

Diminutief geeft een schattige of intieme sfeer.

informal

HĂ€ufige Komposita

  • hotelgast

    "De hotelgast heeft zich niet aan de regels gehouden."

    gast in een hotel

  • hoteldienst

    "De hoteldienst is uitstekend in dat hotel."

    diensten aangeboden door het hotel

HĂ€ufige Wortkombinationen

  • boeking

    "Ik heb een boeking gemaakt bij het hotel."

    Boeking verwijst naar een reservering in het hotel.

  • receptie

    "Wij gaan naar de receptie van het hotel."

    Receptie is de plek waar gasten worden ontvangen.

Wichtige Hinweise

  • countability:'Hotel' is een telbaar zelfstandig naamwoord.
  • usage:Wordt vaak gebruikt in de reis- en vakantiecontext.
  • register:Kan zowel formeel (zoals in brochures) als informeel (in gesprekken) gebruikt worden.
  • irregular:Geen bijzondere irrregulariteit in de vormen.

Dieses Wörterbuch ist KI-generiert — das einzige vollstĂ€ndige niederlĂ€ndische Lernerwörterbuch seiner Art. Ich aktualisiere gerade auf die neuesten KI-Modelle, daher kann es gelegentlich Fehler geben. Wenn etwas seltsam aussieht, vertraue deinem Instinkt.