Singularformen
Het woord 'seizoen' verwijst naar een periode van het jaar.
- Bestimmt (de/het)
- het seizoen
- "Het seizoen begint in maart."
- Unbestimmt (een)
- een seizoen
- "Een seizoen duurt meestal drie maanden."
- Ohne Artikel
- seizoen
- "Seizoen is belangrijk voor planten."
Pluralformen
De meervoudsvorm is 'seizoenen' en wordt gebruikt voor meerdere tijdsperiodes.
- Bestimmt (de)
- de seizoenen
- "De seizoenen zijn lente, zomer, herfst en winter."
- Ohne Artikel
- seizoenen
- "Seizoenen komen en gaan."
Verkleinerungsform
Diminutief gebruikt om iets schattigs of kleins aan te geven.
informeel
HĂ€ufige Komposita
seizoensgebonden
"Seizoensgebonden producten zijn vaak vers."
gebonden aan een specifiek seizoen
seizoensarbeid
"Seizoensarbeid is populair in de landbouw."
werk dat alleen in bepaalde seizoenen is
HĂ€ufige Wortkombinationen
het seizoen voor (iets)
"Het seizoen voor aardbeien begint in juni."
Een uitdrukking die aangeeft wanneer iets in het seizoen is.
seizoenkaart
"Ik heb een seizoenkaart voor het theater."
Een kaart voor toegang gedurende een heel seizoen.
Wichtige Hinweise
- countability:Seizoen is een telbaar zelfstandig naamwoord.
- usage:Het woord wordt vaak gebruikt in verband met activiteiten, zoals vakantie of planten.
- register:Informeel gebruik is meer gebruikelijk in dagelijkse gesprekken.
Dieses Wörterbuch ist KI-generiert â das einzige vollstĂ€ndige niederlĂ€ndische Lernerwörterbuch seiner Art. Ich aktualisiere gerade auf die neuesten KI-Modelle, daher kann es gelegentlich Fehler geben. Wenn etwas seltsam aussieht, vertraue deinem Instinkt.