NEDERLANDS
🇩🇪

Woordenlijst

Die häufigsten niederländischen Wörter, sortiert nach ihrem Vorkommen in der Alltagssprache. Basierend auf dem SUBTLEX-NL-Korpus — 44 Millionen Wörter aus niederländischen Film- und Fernsehuntertiteln.

101–150 von 791 Wörtern

Top 500 — wichtige Alltagswörter
101zichpron. — reflexief voornaamwoord
102werkn. — activiteit of taak
103binnenprep. — binnen een plaats
104moederv. — het moment van moeder worden
105zullenv. — toekomende tijd hulpwerkwoord
106pratenv. — met iemand converseren
107mooiadj. — aantrekkelijk visueel
108genoegv. — iets plezier of voldoening
109vindenv. — ontdekken of houden van
110langv. — verlangen of vragen
111leukadj. — aantrekkelijk of plezierig
112graagadj. — met plezier
113toeinterj. — uitroep of toevoeging
114helpenv. — aan iemand assistentie bieden
115elkaarpron. — wederzijds onderwerp
116natuurlijkadj. — zoals in natuur
117klaarv. — opklaren of verbeteren
118hallointerj. — groet of begroeting
119helemaaladv. — volledig of totaal
120gekv. — meervoud van gek
121drien. — cijfer drie
122meneerv. — beleefd aanspreken
123blijvenn. — de staat van zijn
124houdenn. — een liefde of band
125alsjeblieftinterj. — als je blieft
126krijgenv. — ontvangen of verkrijgen
127kijkenv. — zien met ogen
128vriendn. — persoon met genegenheid
129ideen. — concept of iets
130banginterj. — uitroep van schrik
131gevenv. — iets aanbieden
132naamn. — benaming voor iets
133zo'npron. — uitroepend voornaamwoord
134vertellenv. — verhaal delen
135sneln. — tijd of snelheid
136onderadv. — lager dan iets
137wanneerconj. — als of op tijdstip
138autov. — beweging met auto
139etenv. — voedsel tot zich nemen
140vragenv. — stellen van vragen
141zelfn. — eigen persoon
142vraagv. — stellen van vragen
143jongenn. — jong dier
144paarv. — verbinden samenvoegen
145morgeninterj. — een aanroeping
146staanv. — rechtop zijn
147thuisn. — eigen omgeving
148nemenv. — iets pakken of gebruiken
149meisjeinterj. — uitroep van verrassing
150denkenv. — over iets nadenken