NEDERLANDS
🇩🇪

Woordenlijst

Die häufigsten niederländischen Wörter, sortiert nach ihrem Vorkommen in der Alltagssprache. Basierend auf dem SUBTLEX-NL-Korpus — 44 Millionen Wörter aus niederländischen Film- und Fernsehuntertiteln.

101–150 von 4240 Wörtern

Top 5.000 — umfassender Wortschatz
101nauwelijksadv. — bijna niet
102steunn. — ondersteunend element
104schadev. — nadeel toebrengen
105ondanksprep. — tegen de verwachting in
106juryn. — groep mensen die ergens over beslist
107politiekn. — het openbare bestuur en beleid
108kwestien. — zaak onderwerp waarover wordt gesproken of
109wegensprep. — vanwege geeft reden aan
110dadern. — iemand die een misdrijf pleegt
114hersensn. — hersens
116interessen. — belangstelling voor iets
117gouverneurn. — officiële leider van een provincie of
119wellichtadv. — misschien of waarschijnlijk
120voorstelv. — introduceren tonen
121artikeln. — krant of tijdschrift
122kerstmann. — figuur in de kersttraditie
123testenn. — proef of examen
124commissarisn. — iemand met een toezichthoudende of bestuurlijke
125terreinn. — stuk grond of gebied
126verzetv. — andere plaats geven
127videon. — bewegend beeld met geluid
130handelv. — handel drijven
134aangezienv. — uiterlijk of aanzien
135amperadv. — nauwelijks maar net
137ambulancen. — noodhulp voertuig
138genaamdadj. — met de naam genoemd
139eenheidn. — geheel van delen
142gedeelten. — deel van geheel
143onszelfpron. — benadrukkend voornaamwoord wij ons zelf
144nochconj. — ook niet
145volkomenadj. — helemaal volledig
146winnaarn. — iemand die wint
147voortadv. — verder door doorgaan
148geheeln. — totale hoeveelheid
149puurv. — etmaal seizoen brengen
150dringendv. — stevig druk zetten