Iemand aanstellen is een belangrijke taak.
ik
Ik stel een nieuwe manager aan.
jij / je
Jij stelt vaak goede vragen aan je collega’s.
u
U stelt de regels voor de vergadering aan.
hij
Hij stelt zijn vrienden aan als getuigen.
zij / ze
Zij stellen het comité aan voor het evenement.
het
Het bedrijf stelt nieuwe normen aan.
wij / we
Wij stellen een team samen voor het project.
jullie
Jullie stellen een lijst op met kandidaten.
Ik stelde hem aan als directeur.
Jij stelde de datums vast voor de vergadering.
U stelde de vorige regels aan.
Hij stelde zijn vrienden aan voor de taak.
Zij stelden een comité aan voor dit project.
Het bedrijf stelde hogere eisen aan de kandidaten.
Wij stelden de regels eerder vast.
Jullie stelden een aantal vragen tijdens de presentatie.
De aanstellende manager is op zoek naar kandidaten.
De aanstellende commissie bekijkt alle aanvragen.
Hij is onlangs aangesteld als directeur.
Stel aan wie de voorzitter is.
Stelt aan wie er vragen mogen stellen.
Ik hoop dat ik hem aanstelle.
Ik wens dat zij aanstelt dat we deze opdracht uitvoeren.