Verb
Auxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord aflopen betekent het eindigen van een periode, het afsluiten van een actie of een beweging naar beneden.
Infinitief
Tegenwoordig deelwoord
Voltooid deelwoord
Verleden tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Examples
Ik ga naar huis, het is nu echt afgelopen.
voltooid deelwoord, indicative
Toen de vergadering afgelopen was, gingen we naar huis.
voltooid deelwoord, indicative
Als jij afliep, dan kon ik ook aflopen.
verleden tijd, indicative
De film liep af met een spannende climax!
verleden tijd, indicative
Ben jij aflopend, of komt er meer?
tegenwoordige tijd, indicative
Loop af naar de winkel en koop brood!
gebiedende wijs, imperative
Het is beter dat je lope af als je twijfelt.
aanvoegende wijs, subjunctive