Je moet weten wat er bij je past. Dit behoort tot jou.
De regels zijn behorend tot ons beleid.
De bijbehorende documenten zijn belangrijk voor het proces.
ik
Ik behoor tot de beste studenten van de klas.
jij / je, u
Jij behoort tot deze groep.
hij, zij / ze, het
Hij behoort tot het team.
wij / we, jullie
Wij behoren bij de vereniging.
Ik behoorde tot de traditionele vereniging.
Jij behoorde altijd tot de besten.
Zij behoorde toe aan het verleden.
Wij behoerden tot die generatie.
Hij heeft altijd gewenst te behoren tot de elite, maar dat is niet gelukt.
Behoor bij de beste, en geef je mening.
Behoort het voor jou te zijn?
Moge hij behoren tot de groep die wint.
Dat boek behoort tot de klassiekers.
tegenwoordige tijd, indicatief