(in de bouw en architectuur)
Ze bouwen een nieuw huis aan de rand van het dorp.
Mijn opa heeft deze schuur helemaal zelf gebouwd.
Ik bouw een houten schuurtje in de tuin.
Vorig jaar bouwden de buren een grote veranda aan hun huis.
De aannemer heeft binnen zes maanden een prachtig appartementencomplex gebouwd.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(bij persoonlijke of zakelijke ontwikkeling)
Hij bouwt al jaren aan een succesvolle carrière in de muziek.
Samen hebben we een hechte vriendschap gebouwd.
Zij bouwt stap voor stap aan een eigen onderneming.
(bij vertrouwen in mensen)
Je kunt altijd op mij bouwen als je hulp nodig hebt.
Op zijn beloftes kun je echt niet bouwen.
Op collega's die altijd op tijd leveren, kun je goed bouwen.
(in informele spreektaal over feesten)
We gaan vanavond een feestje bouwen bij Tim thuis.
Na het examen hebben we flink een feest gebouwd.
Kom je ook, we gaan vanavond lekker een feestje bouwen!
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.