Ik wil delen met jou.
ik
Ik deel mijn gedachten.
jij / je, u
Jij deelt vaak goede ideeën.
wij / we, zij / ze, jullie
Wij delen een huis.
Ik deelde mijn boeken met hem.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij deelden hun ervaringen.
Delend met anderen leert men veel.
De delende vrienden hebben plezier.
Ik heb alles gedeeld met zij die het nodig hadden.
Deel je kennis!
Deelt jullie de informatie met ons!
Moge je delen wat je leert.