Ik hou van fietsen in de natuur.
De fietsend kind gaat naar school.
De fietsende groep vrienden heeft veel lol.
ik
Ik fiets elke dag naar mijn werk.
jij / je, u
Jij fietst snel!
hij, zij / ze, het
Zij fietst naar de winkel.
wij / we, jullie
Wij fietsen samen in het park.
Ik fietste gisteren naar het centrum.
jij / je
Jij fietste naar huis.
u
U fietste met ons mee.
Hij fietste heel langzaam.
Wij fietsten samen naar het feest.
Ik heb gefietst naar het strand.
Ik ben fietsend naar mijn afspraak gegaan.
Als ik maar fietse naar de zee.
Fiets veilig!
Fietst u met ons mee?