(Een kleur beschrijven van kleding of voorwerpen)
Ik heb een grijze trui gekocht.
De muren van de woonkamer zijn grijs.
De kat is grijs.
Hij droeg een grijs pak naar het feest.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Ouder worden en grijzend haar)
Mijn vader heeft al grijs haar.
Ze wordt steeds grijzer bij de slapen.
Mijn moeder wordt langzaam grijs.
(Een sfeer of leven dat weinig kleur heeft)
Het was een grijze, regenachtige dag.
Hij leidt een grijs bestaan op kantoor.
De lucht was grijs en triest.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.