Ik wil hangen in de tuin.
De vlag hangt hangend aan de gevel.
De hangende lantaarns geven licht in de straat.
ik
Ik hang de schilderijen aan de muur.
jij / je, u
Jij hangt de was op.
hij, zij / ze, het
Hij hangt zijn jas aan de kapstok.
wij / we, jullie
Wij hangen samen op het terras.
Ik hing de foto's op de muur.
Jij hing de vlag uit.
Zij hing de lamp aan het plafond.
Wij hingen de slingers op.
De was is al gehangen.
Als zij maar hange in de schaduw.
Hang de poster goed op.
Hangt dat daar niet zo wijd.