Ik wil weten hoe ze heet.
ik
Ik heet Jan.
jij / je
Jij heet Anna.
u
U heet meneer De Vries.
hij
Hij heet Koen.
zij / ze
Zij heet Lotte.
het
Het huis heet De Zwaan.
wij / we
Wij heten de nieuwe leerlingen welkom.
jullie
Jullie heten allebei Lisa.
Ik heette vroeger anders.
Jij heette hem kort geleden.
U heette vroeger meer mensen.
Hij heette altijd Willem.
Zij heette in feite Maria.
Het boek heette De Aanslag.
Wij hetten in het verleden geen vrienden.
Jullie hetten altijd grappen.
Hij heeft altijd geheten zoals hij nu heet.
Het woord is hetend in deze zin.
Ik ben hetende en dat is leuk.
Als hij maar hete schrijvers ontmoet.
Heet iemand welkom in ons huis!
Hij heeft altijd geheten wat de betekenis is van de naam.
perfect, indicative