(Afgunst voelen over het bezit of succes van een ander)
Ik ben een beetje jaloers op haar nieuwe auto.
Hij werd jaloers toen zijn broer de eerste prijs won.
Hij is jaloers op zijn buurman.
Wees niet jaloers, je hebt zelf ook veel moois bereikt.
Vroeger was ik altijd jaloers op kinderen die een hond hadden.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Wantrouwen in een liefdesrelatie)
Mijn vriend is heel jaloers als ik met andere mannen praat.
Ze was jaloers op elke collega die te vriendelijk deed tegen haar man.
Waarom doe je zo jaloers? Ik heb niks verkeerds gedaan.
Na dat bericht werd ze nog jaloerser dan ze al was.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.