(in gesprekken over mannen die men tegenkomt of kent)
Er stond een lange kerel voor de deur te wachten.
Die kerel van de garage heeft mijn auto snel gerepareerd.
De kerel op de foto is mijn opa toen hij jong was.
Er werkten vroeger veel kerels in de haven van Rotterdam.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(wanneer je iemand prijst om zijn flinkheid of stoerheid)
Hij is een flinke kerel, hij huilt nooit om zoiets kleins.
Wat een stoere kerel, die gewoon in zijn eentje de berg op klom.
Mijn zoon is echt een kereltje geworden, hij durft alles.
(in informele aanspreking tussen vrienden of bekenden)
Hé kerel, hoe gaat het met je?
Kom op, kerel, je kunt dit wel!
Zeg kerel, heb je die wedstrijd gisteren gezien?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.