Ik wil de muren kleuren.
De kleurend bomen zijn prachtig.
Hij is kleurende in de tuin.
De gekleurde bal ligt op de grond.
ik
Ik kleur graag in mijn boek.
jij / je
Jij kleurt deze afbeelding mooi in.
u
U kleurt zo nauwkeurig.
hij
Hij kleurt de tekening met veel aandacht.
zij / ze
Zij kleurt de pagina's met vrolijke kleuren.
het
Het kleurt mooi in de zon.
wij / we
Wij kleuren samen een feestje.
jullie
Jullie kleuren de wereld op met ideeën.
Ik kleurde de lucht rood tijdens de zonsondergang.
Jij kleurde vroeger veel met krijt.
U kleurde de tekeningen perfect in.
Hij kleurde de muren in zijn huis.
Zij kleurde de lichten in het feest.
Het kleurde in het donker.
Wij kleurden in het park.
Jullie kleurden de kaarten in tijdens de les.
Zij kleurden hun tekeningen met liefde.
Kleur deze tekeningen mooi in!
Kleurt deze pagina met de mooiste kleuren!
Ik hoop dat jij kleure mooi, heerlijk en blij zijn.