(in een klaslokaal of op een school)
Mijn moeder geeft les op een basisschool in Utrecht.
Hij heeft twintig jaar lesgegeven aan het gymnasium.
De juf geeft les.
Ik geef elke dinsdag les aan groep zeven.
Mijn vader gaf jarenlang les op een middelbare school.
Zij heeft vorig jaar lesgegeven in Spanje.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(privéles of bijles aan één persoon)
Zij geeft mij elke week pianoles op zaterdagochtend.
Kun jij mijn zoon even lesgeven in wiskunde?
Wil jij me lesgeven in schaken?
(cursus of workshop)
Volgend jaar ga ik lesgeven aan een yogagroep.
De professor gaf les over moderne Nederlandse literatuur.
Omdat ze goed kan uitleggen, is ze gevraagd om les te geven aan de nieuwe werknemers.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.