NEDERLANDS
🇬🇧

Mobiel

AdjectiveA1

Attributive forms

Als je 'mobiel' vóór een zelfstandig naamwoord gebruikt, zeg je meestal 'mobiele'. Bijvoorbeeld: 'een mobiele telefoon' of 'de mobiele werknemer'. Alleen als er geen lidwoord staat, gebruik je 'mobiel', zoals in 'mobiel internet'.

With definite article
With indefinite article
Without article

Predicative form

Na werkwoorden zoals 'zijn', 'worden' of 'blijven' gebruik je altijd 'mobiel'. Bijvoorbeeld: 'Deze functie is mobiel' of 'Mijn leven wordt steeds mobieler'.

Comparative

Om te zeggen dat iets 'meer mobiel' is, gebruik je 'mobieler'. Bijvoorbeeld: 'Een fiets is mobieler dan een auto in de stad'. Je kunt ook 'mobieler dan' gebruiken om twee dingen te vergelijken.

Base form
With "dan"

Superlative

Voor het 'meest mobiel' gebruik je 'mobielst' of 'mobielste'. Na 'het' of 'de' zeg je 'mobielste': 'Dit is de mobielste optie'. Na 'het' in een zin zonder zelfstandig naamwoord zeg je 'mobielst': 'Dit apparaat is het mobielst'.

Attributive
Predicative

Important notes

  • usage:'Mobiel' wordt vaak gebruikt om te praten over dingen die je makkelijk kunt verplaatsen of gebruiken onderweg, zoals telefoons, apparaten of werk.
  • spelling:In de stellende trap krijgt 'mobiel' een -e in de attributieve vorm (mobiele), behalve in het bare gebruik (zonder lidwoord).

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.