(Bij werkwoorden zoals leggen, zetten, vallen of komen om een beweging of plaatsing naar beneden aan te geven)
Leg je jas maar neer op de bank.
De vogel daalde langzaam neer op het dak.
Zet de dozen even neer bij de deur.
De sneeuwvlokken dwarrelen zachtjes neer op de tuin.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Iemand laat zich ergens zakken om uit te rusten of te gaan zitten)
Na de lange wandeling liet hij zich neer in de stoel.
Ze plofte neer op het bed en deed haar ogen dicht.
Hij ging naast haar neer en gaf haar een knuffel.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.