(rechtszaak of beschuldiging)
De rechter oordeelde dat de verdachte onschuldig was.
Ik heb niets gedaan, ik ben echt onschuldig!
De jury verklaarde hem onschuldig.
Na jaren in de gevangenis bleek hij toch onschuldig te zijn geweest.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(iets dat mild of ongevaarlijk is)
Het was maar een onschuldig grapje tussen vrienden.
De dokter zei dat het bultje volkomen onschuldig is.
Dat is een heel onschuldig drankje, daar word je niet dronken van.
Wat begon als een onschuldige discussie liep uit op een flinke ruzie.
(kinderen of goedgelovige personen)
Ze keek me aan met die grote, onschuldige ogen van haar.
Hij is nog zo onschuldig, hij gelooft alles wat je zegt.
Het kind keek onschuldig naar boven toen zijn moeder vroeg wie de koekjes had opgegeten.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.