Ik wil graag leren om te paren.
De aanstaande ouders staan parend in de rij.
Ze is parende en lijkt erg gelukkig.
ik
Ik paar met mijn hond tijdens het spel.
jij / je, u
Jij paart altijd met de beste spelers.
hij, zij / ze, het
Hij paart met zijn zus in het spel.
wij / we, jullie
Wij paren met de nieuwe teams in de competitie.
Ik paarde met een sterk team afgelopen seizoen.
Jij paarde met verschillende tegenstanders in het toernooi.
Hij paarde met zijn vriend tijdens het spel.
Wij paarden samen in de finale.
De paringen zijn succesvol afgerond.
Laat hem paaren, als hij dat wil.
Paar de juiste stukken samen!
Paart de kaarten goed.