Ik wil leren hoe ik kan piepen.
De vogel zit piepend op de tak.
De piepende strijkbout is gaan branden.
ik
Ik piep als ik blij ben.
jij / je, u
Jij piept als een muis.
zij / ze, hij, het
Zij piept altijd als ze verrast is.
wij / we, jullie
Wij piepen samen als we zingen.
Ik piepte van blijdschap gisteren.
Jij piepte als kind vaak.
hij, zij / ze, het
Hij piepte tijdens de film.
Wij piepten allemaal toen we het nieuws hoorden.
Hij heeft veel gepiept deze week.
Moge je altijd gelukkig piepen.
jij / je
Piep, en laat iedereen weten dat je er bent!
jullie
Piep, als je iets te zeggen hebt!