Ik wil leren piepen.
De vogel is piepend in de boom.
De piepende muis was schattig.
ik
Ik piep wanneer ik blij ben.
jij / je
Jij piept als een klein vogeltje.
u
U piept harder dan verwacht.
hij
Hij piept altijd vrolijk.
zij / ze
Zij piept vaak als ze schrikt.
het
Het piept als het koud is.
wij / we
Wij piepen samen in het koor.
jullie
Jullie piepen met enthousiasme.
Ik piepte toen ik me pijn deed.
Jij piepte van het lachen.
U piepte in de telefoon.
Hij piepte als een kind.
Zij piepte van schrik.
Het piepte in de wind.
Wij piepten samen van de lol.
Jullie piepten als gekken.
Zij piepten van lachen.
Hij heeft gepiept in het spel.
Als iedereen maar piepe!
Piep harder!
Piept nu!