(Als je iemand van wie je houdt aanspreekt.)
Hoi schat, hoe was je dag op je werk?
Mijn schat komt vanavond wat later thuis.
Kom hier, schat, we gaan eten.
Welterusten, schat, slaap lekker.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(In avonturenverhalen over piraten of in sprookjes.)
De piraten vonden een enorme schat op het verlaten eiland.
Onder het oude kasteel lag een verborgen schat.
De kinderen droomden van een glinsterende schat.
In het museum is een kleine schat uit de middeleeuwen te zien.
(Als je wilt zeggen dat iets groot veel waarde heeft.)
Dit oude fotoalbum is een echte schat voor onze familie.
Jouw ervaring is een schat voor ons hele team.
Deze bibliotheek is een ware schat aan kennis.
De oude brieven van oma zijn een schat voor historici.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.