Infinitief Ik wil scheiden van mijn partner.
Tegenwoordig deelwoord De scheidende partijen zijn het oneens.
De scheidende echtgenoten moeten afspraken maken.
Tegenwoordige tijd ik
Ik scheid de boeken in verschillende categorieën.
jij / je
Jij wilt scheiden van je partner.
u
U scheidt de feiten van de fabels.
hij, zij / ze, het
Hij scheidt de afvalstoffen.
wij / we
Wij scheiden ons afval in verschillende bakken.
jullie
Jullie scheiden de materialen goed.
Verleden tijd ik
Ik scheidde in goede verstandhouding.
jij / je
Jij scheidde de waarheid van de leugens.
u
U scheidde zich van de concurrenten.
hij, zij / ze, het
Zij scheidde zich van haar verleden.
wij / we
Wij scheidden ons in de jaren '90.
jullie
Jullie scheidden de dossiers zorgvuldig.
Voltooid deelwoord De echtparen zijn al gescheiden.
Aanvoegende wijs Moge hij scheide van de slechte invloeden.
Gebiedende wijs Scheid de belangrijke documenten van de andere.
This dictionary is AI-generated — the only complete Dutch learner's dictionary of its kind. I'm currently updating to the latest AI models, so you may spot the occasional mistake. If something looks off, trust your instincts.