Ik houd van slapen.
Hij is slapend op de bank.
De slapende baby is schattig.
Ik heb goed geslapen.
ik
Ik slaap elke nacht goed.
jij / je
Jij slaapt altijd lang.
u
U slaapt rustig, toch?
hij
Hij slaapt in de auto.
zij / ze
Zij slaapt als een roos.
het
Het kind slaapt in zijn bed.
wij / we
Wij slapen vroeg.
jullie
Jullie slapen samen in een kamer.
Ik sliep heel diep vannacht.
Jij sliep gisteren niet goed.
U sliep vast wel laat.
Hij sliep tot laat vanmorgen.
Zij sliep al voordat de film begon.
Het kindje sliep de hele dag.
Wij sliepen in een hotel.
Jullie sliepen bij vrienden.
Slaap lekker!
Ik zou willen dat jij slape gerust.
Ik wil slapen omdat ik moe ben.
tegenwoordige tijd, indicatief