hebben
werkwoord
leggen of plaatsen van stoelen
Om te kunnen rusten, moet je de stoelen goed plaatsen.
De mensen zijn stoelend in de tuin aan het praten.
De stoelende kinderen speelden met hun speelgoed.
Hij heeft de stoelen al gestoeld voor het feest.
ik
Ik stoel de ruimtes in de woonkamer.
jij / je, u
Jij stoelt de lading op de vrachtwagen.
hij, zij / ze, het
Zij stoelt de stoelen in het restaurant.
wij / we, jullie
Wij stoelen samen de vergaderzaal.
Ik stoelde de stoelen voor de gasten.
jij / je
Jij stoelde de tafel nog in de middag.
u
U stoelde het podium voor de presentatie.
Zij stoelde de extra stoelen op tijd.
Wij stoelden de banken in de aula.
Moge hij de juiste stoelen stoele.
Stoel de stoelen in de vergaderruimte!
Stoelt het publiek rustig, alsjeblieft!