Wij willen graag trouwen.
Hij is trouwend aan zijn beloftes.
Zij is trouwende in haar huwelijk.
Zij zijn inmiddels getrouwd.
ik
Ik trouw volgend jaar.
jij / je
Jij trouwt met de liefde van je leven.
u
U trouwt binnenkort.
hij, zij / ze, het
Hij trouwt morgen, zij trouwt met hem.
wij / we, jullie
Wij trouwen in de zomer, jullie trouwen dit jaar.
Ik trouwde afgelopen jaar.
Jij trouwde vorig jaar.
U trouwde in het voorjaar.
hij
Hij trouwde met zijn beste vriendin.
zij / ze
Zij trouwde ook al op jonge leeftijd.
wij / we
Wij trouwden bijna tegelijk.
jullie
Jullie trouwden in de herfst.
Zij trouwden voor de wet.
Moge hij trouwe zijn aan zijn beloftes.
Trouw aan jezelf!
Jullie trouwt zoals je dat belooft hebt.