Ik wil leren verstoppen in het spel.
De jongen is verstoppend in het spel.
De verstoppende speler is moeilijk te vinden.
Het speelgoed is verstopt onder het bed.
Ik verstop me achter de deur.
ik
Ik verstopte het cadeau in de kast.
wij / we, jullie
Wij verstopten ons in het park tijdens het spel.
Verstop je goed voor de verrassing!
Verstopt het spel niet te ver!
Als hij maar verstoppe in het spel!