(iemand of iets dat zich snel verplaatst)
Die jongen kan heel vlug rennen.
De hond was te vlug voor de kat.
De trein is vlugger dan de bus.
Zij was de vlugste van de klas tijdens de wedstrijd.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(over iemands geest of reactievermogen)
Ze is een vlug meisje en leert alles snel.
Hij is niet zo vlug van begrip.
Wat ben jij vlug, je snapt het meteen!
(gebruikt als bijwoord om iets kort of haastig te doen)
Ik ga even vlug naar de winkel.
Kun je dat vlug voor me doen?
Ik bel je straks vlug even terug.
We moeten vlug zijn, anders missen we de trein.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.