Attributive forms
Als je 'zacht' voor een zelfstandig naamwoord gebruikt, verandert het vaak in 'zachte'. Bijvoorbeeld: 'de zachte stof' of 'een zachte handdoek'. Bij onzijdige woorden in het enkelvoud gebruik je soms gewoon 'zacht', zoals in 'zacht brood'.
- With definite article
- With indefinite article
- Without article
Predicative form
Na werkwoorden zoals 'zijn', 'worden' of 'voelen' gebruik je altijd 'zacht'. Bijvoorbeeld: 'De deken is zacht' of 'Het voelt zacht aan'.
Comparative
Om te zeggen dat iets zachter is dan iets anders, gebruik je 'zachter'. Bijvoorbeeld: 'Deze deken is zachter dan die deken'. Je kunt ook 'zachter dan' gebruiken: 'Dit kussen is zachter dan dat kussen'.
- Base form
- With "dan"
Superlative
Om te zeggen dat iets het zachtst is van alles, gebruik je 'zachtst' na 'het' en 'zachtste' voor het zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: 'Dit is het zachtst' of 'Dit is de zachtste deken'.
- Attributive
- Predicative
Important notes
- usage:Bij sommige zelfstandige naamwoorden gebruik je 'zacht' zonder 'e', zoals in 'zacht brood'. Dit gebeurt vaak bij onzijdige woorden in het enkelvoud.
- spelling:In de overtreffende trap wordt 'zachtst' gebruikt na 'het' en 'zachtste' voor het zelfstandig naamwoord.
Keep learning
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.