hebben
regelmatig
neutral
Ik hou van verhalen vertellen en dingen zeggen.
ik
Ik zeg het meteen als ik het weet.
jij / je, u
Jij zegt altijd iets grappigs.
hij, zij / ze, het
Hij zegt dat hij moe is.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij zeggen goedemorgen tegen de buren.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
Ik zei dat ik zou komen.
Zij zeiden het tegen de docent.
Ik heb het al gezegd.
Zeggend wat ik denk, liep ik de kamer binnen.
Zeg de waarheid!
Zegt het snel!
Dat hij het maar spoedig zegge!