Afhalen
Hulpwerkwoord
hebben
Scheidbaar werkwoord
'Afhalen' betekent iets ophalen op een afgesproken plaats, vaak in de context van bestellingen, pakketten of personen.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik haal mijn bestelling vanavond af.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Heb je het pakket al afgehaald?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij haalde gisteren zijn nieuwe fiets af.
verleden tijd, aantonende wijs
Haal jij de kinderen straks af?
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.