Afleggen
Hulpwerkwoord
hebben
overgankelijk werkwoord
'Afleggen' wordt vaak gebruikt in formele contexten, zoals het afleggen van een verklaring, examen, eed of belofte. Het kan ook betekenen 'afstand afleggen' in de zin van reizen.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik
jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik moet morgen een examen afleggen.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft gisteren een verklaring afgelegd.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij legde vorige week een getuigenis af.
verleden tijd, aantonende wijs
Leg die verklaring nu meteen af!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is belangrijk dat hij de eed aflegt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.