Aftrekken
Hulpwerkwoord
hebben
overgankelijk werkwoord (heeft een lijdend voorwerp nodig)
Wordt vaak gebruikt in financiële of wiskundige contexten, maar kan ook figuurlijk gebruikt worden (bijv. 'iemand aftrekken' in de betekenis van 'iemand afleiden').
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik trek elke maand 50 euro af voor mijn spaarrekening.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft de korting van de rekening afgetrokken.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Trek die 10 euro maar van het totaal af!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als je de belasting aftrekt, houd je minder over.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.