Aprillen
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk, informeel, seizoensgebonden (1 april)
Het werkwoord 'aprillen' wordt voornamelijk gebruikt in de context van grappen maken of iemand voor de gek houden op 1 april. Het is een informeel werkwoord en wordt niet in formele teksten gebruikt.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik april mijn collega’s elk jaar met een gekke e-mail.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Vorig jaar heb ik mijn moeder geaprild met een neptelefoontje van de koning.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als hij weer aprilt, trap ik er niet meer in!
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Men hoopt dat hij dit jaar niet aprille, want vorig jaar was het een chaos.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.