Betreden
Hulpwerkwoord
hebben
overgankelijk werkwoord (iets of iemand betreden)
Het werkwoord 'betreden' wordt vaak gebruikt in formele contexten, zoals het betreden van gebouwen, terreinen of ruimtes waar toegang gereguleerd is.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik betreed elke dag met plezier mijn werkplek.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij betrad de zaal en voelde meteen de spanning.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is belangrijk dat u het terrein niet zonder begeleiding betreedt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Betreed de ruimte pas als je naam wordt afgeroepen.
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Zij hebben het verboden gebied betreden en zijn gearresteerd.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.