NEDERLANDS
🇳🇱

Bibberen

WerkwoordA2

Hulpwerkwoord

hebben

onovergankelijk werkwoord (geen lijdend voorwerp)

Het werkwoord 'bibberen' drukt vaak een fysieke reactie uit op kou, angst of spanning.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

Voorbeelden

  • Ik bibber elke winter als ik naar buiten ga zonder jas.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij bibberde van angst toen ze de spin zag.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • We hebben de hele nacht gebibberd omdat de verwarming kapot was.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Bibber niet zo, het is maar een kleine hond!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.