Blijven
WerkwoordA1
Hulpwerkwoord
zijn
werkwoord
De werkwoord 'blijven' heeft de betekenis van continuïteit of het voortduren van een staat.
Verleden tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
jullie
zij / ze
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je
u
Aanvoegende wijs
Infinitief
Tegenwoordig deelwoord
Voltooid deelwoord
Voorbeelden
Als jij zegt dat je blijft, dan blijf ik ook.
tegenwoordige tijd, indicatief
Ze zeiden dat ze niet bleven voor het diner.
verleden tijd, indicatief
Blijf hier en wees rustig.
gebiedende wijs, imperatief
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.