🇳🇱

Hulpwerkwoord

hebben

werkwoord

The verb 'borrelen' is often used informally to describe social drinking gatherings.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, zij / ze

  • jullie

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Tegenwoordig deelwoord

Voltooid deelwoord

Gebiedende wijs

  • , jij / je

  • jij / je

Aanvoegende wijs

  • , hij, zij / ze

Voorbeelden

  • Na een lange werkdag vind ik het fijn om te borrelen.

    infinitief,

  • Ik borrel graag in het weekend.

    tegenwoordige tijd,

  • Wij borrelen vaak samen na het werk.

    tegenwoordige tijd,

  • Gisteravond borrelde hij met vrienden.

    verleden tijd,

  • Borrel rustig verder.

    gebiedende wijs,

  • We hebben met de buren geborreld.

    voltooid deelwoord,

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.