Tegenwoordig deelwoord Hij is bukkend om iets op te rapen.
De bukkende man vond niets op de grond.
Tegenwoordige tijd ik
Ik buk om mijn sokken te pakken.
jij / je
Jij bukt als je moe bent.
u
U bukt om te helpen.
hij
Hij bukt vaak tijdens het sporten.
zij / ze
Zij bukt naar de bloemen.
het
Het bukt als het op de grond valt.
wij / we
Wij bukken allemaal als het nodig is.
jullie
Jullie bukken nog verder voor de foto.
Verleden tijd ik
Ik bukte om een steen op te rapen.
jij / je
Jij bukte toen je het boek liet vallen.
u
U bukte terwijl u sprak.
hij
Hij bukte sinds de training meer.
zij / ze
Zij bukte om te weten wat er onder de bank lag.
het
Het bukte naar het gras.
wij / we
Wij bukten op de markt om te kijken.
jullie
Jullie bukten in het park om te genieten van de natuur.
Voltooid deelwoord Hij heeft gebukt voor de zware last.
Aanvoegende wijs Als ik maar bukke, zal ik het zien.
Voorbeelden Als je valt, moet je bukken.
tegenwoordige tijd, indicatief
Bukken is soms nodig om iets te pakken.
infinitief, infinitief
Hij is altijd bukkend bezig in de tuin.
tegenwoordige tijd, indicatief
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.