Huppen
Hulpwerkwoord
hebben
regelmatig werkwoord
Het werkwoord 'huppen' wordt vaak gebruikt om een speelse, lichte of vrolijke beweging te beschrijven, zoals springen op één been of kleine sprongetjes maken.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik hup elke dag om fit te blijven.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hupte je vroeger ook zo vaak?
verleden tijd, aantonende wijs
We hebben gisteren veel gehupt in het park.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hup, ga door met huppen!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is leuk dat jullie samen huppen.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.