Inwonen
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord
Het werkwoord 'inwonen' betekent tijdelijk bij iemand anders wonen, vaak om praktische redenen zoals geld besparen of tijdens een overgangsperiode.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik
jij / je
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik woon in bij mijn vriendin omdat mijn huis gerenoveerd wordt.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij heeft een jaar bij haar zus ingewoond voordat ze trouwde.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Wij woonden in bij familie toen we net in Nederland aankwamen.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is beter dat je bij ons inwoont tot je een baan hebt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Blijf leren
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.