Janken
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord (geen lijdend voorwerp)
'Janken' betekent hard huilen of jammeren, vaak met een negatieve of overdreven bijklank. Het kan ook gebruikt worden voor dieren (bijv. een hond die jankt).
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik jank altijd als ik een trieste film kijk.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft de hele nacht gejankt na het slechte nieuws.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Jank niet zo, het helpt toch niet!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Zij jankte toen ze hoorde dat haar vriendin verhuisde.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is beter dat je niet janke waar iedereen bij is.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.